Ontstaan zorgverzekering in Nederland

De dekking van medische kosten is in Nederland inmiddels goed geregeld. Dit is echter lang niet altijd zo vanzelfsprekend geweest. Het Nederlandse zorgstelsel heeft hiervoor een lange ontwikkeling doorgemaakt waarbij de geschiedenis teruggaat tot in de achttiende eeuw.

Het ontstaan van de eerste ‘zorgverzekeringen’

Welbeschouwd hadden de oude ambachtsgilden al een systeem dat als voorloper van de moderne verzekering gezien kan worden. Via hun ziekenkas, ook wel ‘gildebussen’ genoemd, konden gilden hun leden financieel opvangen wanneer zij voor medische lasten kwamen te staan die zij niet zelf konden dragen.

De eerste echte ziekenfondsen werden geïntroduceerd omstreeks 1780 door de commerciële verzekeringsondernemingen van die tijd en deze richtten zich voornamelijk op de minder bedeelden in de samenleving. Op deze manier konden huishoudens met lage inkomens zich voor het eerst verzekeren, waardoor zij in geval van nood niet meer aan hoefden te kloppen bij het ‘armenfonds’ van kerk en gemeente.

Artsen en arbeiders

In 1846 richtten artsen en apothekers het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam (AZA) op. Dit gaf verzekeringnemers de vrijheid om zelf een arts te kiezen. Maar het AZA introduceerde tevens de inkomensgrens waarmee onderscheid gemaakt werd tussen de ziekenfondssector en de particuliere sector. Het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam werd een van de grotere spelers op de arbeidsmarkt met veel verzekerden uit de arbeidersklasse in het bestand.

Arbeiders verenigen zich

In de tweede helft van de negentiende eeuw waren ook de meeste Amsterdamse timmerlieden verzekerd bij de AZA. Zij dienden in 1874 gezamenlijk een officieel verzoek in bij hun verzekeraar, met daarin het voorstel om een deel van de ingelegde premies de investeren in betaalbare arbeiderswoningen. Het bestuur van het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam wilde hier echter niet aan meewerken en schoof het voorstel terzijde met als commentaar: “Laat de werklieden zich liever toeleggen op hun werk dan op deze dagdieverij!”

Deze opmerking viel uiteraard niet in goede aarde en was voor de betrokken timmerlieden en anderen uit de arbeidersklasse de aanleiding om met een eigen initiatief te komen. Zij richtten het Algemeen Onderling Ziekenfonds Voor en Door Werklieden op, wat vooral de belangen van de werkende klasse moest behartigen.

In navolging hiervan werden diverse fondsen opgericht waarmee de arbeidersbeweging meer en meer de regie over de zorgvoorziening in eigen handen nam. Tezamen met de vakbonden vormden zij samen een gezichtsbepalende speler binnen de wereld van het ziekenfondswezen. Rond 1900 werden ook de eerste ziekenfondsen door werkgevers opgericht voor het eigen personeel.

Het ontstaan van de eerste wettelijke regelgeving

In 1905 nam het toenmalige Nederlandse kabinet onder leiding van premier Kuyper voor het eerst echt deel aan de maatschappelijke discussies rondom het zorgverzekeringswezen in Nederland.

Hoewel een eerder initiatief van de overheid niet slaagde, leidde de inmenging van de regering uiteindelijk onder meer in de oprichting Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde. De KNMG bood door middel van eigen regelingen en zorgcontracten de eerste algemene zorgverzekeringspakketten. Hiermee konden de huishoudens met lage inkomens zich, weliswaar nog in beperkte mate, verzekeren tegen de kosten van de basis zorgvoorzieningen.

De dekking van deze algemene zorgpolissen van KNMG waren nog een stuk beperkter dan de huidige basisverzekering. Zo was ziekenhuisopname nog niet meeverzekerd. Wanneer iemand de kosten van een eventuele opname niet zelf kon betalen, moest hij of zij zich alsnog beroepen op de Nederlandse armenwet.

Verplichte zorgverzekering: een Duits initiatief

Rond 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, was grofweg twee derde van de Nederlandse bevolking in meer of mindere mate verzekerd tegen medische kosten. Het was echter tijdens de bezetting dat een zorgverzekering voor alle Nederlanders verplicht werd gesteld. Vanuit Duitsland werd in 1941 het systeem van de Duitse Krankenkasse ook in Nederland ingevoerd. Vanaf dat moment werd iedereen onder een bepaalde inkomensgrens verplicht lid van het ziekenfonds.

Na de bezetting besloot men het ingevoerde systeem van verplichte zorgverzekering te houden. Er werden diensten aan de zorgpakketten toegevoegd waarmee de dekking van de basisverzekering aanzienlijk werd uitgebreid. Het ziekenfondswezen werd verder geprofessionaliseerd. Kleine verzekeraars fuseerden tot grote verzekeringsmaatschappijen wat het aantal verzekeringsondernemingen in Nederland terugbracht van ruim 200 tot enkele tientallen. Het verschil tussen de particuliere en de ziekenfondssector bleef echter wel bestaan.

Een basis zorgverzekering voor iedereen

Op initiatief van staatssecretaris van Volksgezondheid Hendriks werd in 1974 de discussie geopend over het verschil tussen de particulier- en ziekenfondsverzekerden. De vraag of dit onderscheid nog wel wenselijk was, stond hierbij centraal. Er werd gesproken over een algemene basis zorgverzekering voor iedereen, ongeacht de hoogte van het inkomen.

Het bleek een onderwerp waar men niet zomaar over uitgesproken zou raken. Een voorstel van staatssecretaris Simons voor een algemene basis zorgverzekering aan het begin van de jaren ’90 strandde, waarna minister Borst het in 2001 opnieuw probeerde met de nota “Vraag en Aanbod”.

Nieuwe Zorgverzekeringswet

Pas in 2004 werd door de toenmalige minister van VWS, de heer  Hoogervorst, een wetsvoorstel ingediend dat wel voet aan de grond kreeg. Het plan dat de eerdere voorstellen van de voorgaande ministers van volksgezondheid als basis had, werd uiteindelijk goedgekeurd door het parlement. De nieuwe Zorgverzekeringswet (ZVW) trad 1 januari 2006 daadwerkelijk in werking. Hiermee viel het verschil tussen ziekenfonds en particulier weg. Sindsdien loont het zorgverzekering vergelijken meer dan ooit.